Willem Abma

gesprekstherapeut

Gevoel van eigenwaarde

Voelen wat je waard bent. Het is onontbeerlijk om een beetje prettig te functioneren. Toch zijn er velen die dat gevoel maar niet te pakken krijgen.

 

Veel disfunctioneren en psychische klachten zijn terug te voeren op een gebrek aan gevoel van eigenwaarde. Neem b.v. alcoholisme, een hardnekkige kwaal die de alcoholicus en zijn omgeving veel leed berokkent en moeilijk blijkt te bevechten. Voor zover erfelijkheidsfactoren in de vorm van een alcohol-gen niet aanwijsbaar zijn, ligt de oorzaak meestal in een tekort aan eigenliefde. Hoe dat komt, vormt voor ieder individu een verhaal op zichzelf, afhankelijk van de vraag hoe iemands leven is gelopen.

 

Feit is, dat de persoon in kwestie zichzelf niet echt de moeite waard vindt, soms zelfs een afschuw van zichzelf heeft. Dan is er geen reden om zorg voor jezelf te dragen, integendeel: je gaat jezelf verwaarlozen omdat je je niet de moeite waard voelt. Bij overvloedig alcoholgebruik is verloedering op den duur het gevolg.

 

Een ander voorbeeld is vandalisme. Een innerlijk gevoel van onwaarde wordt geprojecteerd op de buitenwereld. 'Zoals je jezelf kent, ken je de wereld', schrijft Ernest Jones. De vandaal kijkt niet door de ogen van iemand met een gevoel van eigenwaarde naar de dingen en mensen buiten hem. Integendeel, er is een drang om te vernielen en te vernietigen, om (dingen) waardeloos te maken.

 

Chronische onlustgevoelens

Veelvuldiger, maar ook vager zijn de klachten van mensen die gekweld worden door chronische onlustgevoelens. Ze klagen over problemen op het werk, in de relatie en voelen zich met name niet opgewassen tegen de eisen die de omgeving aan hen stelt. In de gewone dagelijkse omgang met deze en gene worden ze in stilte aan de lopende band voor hun gevoel gekwetst, gekrenkt en tekort gedaan. In stilte, want verweren doen ze zich niet. De angst om eruit te liggen is groot. Het onvermogen om voor zichzelf op te komen, vaak nog groter. Heel vaak antwoorden ze op de vraag waarom ze niet voor zichzelf opkomen: 'Ik heb er een hekel aan andere mensen te kwetsen'. Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen dat daar in wezen de angst om zelf gekwetst te worden achter schuil gaat. Immers, voor jezelf opkomen tegenover een ander betekent een confrontatie aangaan. En dat brengt voor het niet al te zelfverzekerde ik risico's met zich mee die velen maar liever uit de weg gaan. Innerlijke onzekerheid en een geducht gebrek aan zelfvertrouwen gaan dan ook hand in hand met een gebrekkig gevoel van eigenwaarde.

 

Heb uw naaste lief als u zelf

Een paar jaar geleden sprak ik met iemand die keihard werkte en er alles aan deed om het anderen naar de zin te maken. Dat kostte zo veel energie dat de tank op een gegeven moment leeg was. Uitgeput zat ze tegenover mij. Op mijn vraag waarom ze zich zo inspande voor anderen, ten koste van zich zelf,  antwoordde ze dat ze dat nu eenmaal altijd al had gedaan; dat ze dat trouwens van huis had meegekregen. 'Heb uw naaste lief', zei ze. 'Als u zelf', vulde ik aan. Er staat toch niet geschreven dat je je naaste meer moet liefhebben dan jezelf? Integendeel: je moet eerst voor jezelf kunnen zorgen voordat je voor een ander kunt zorgen. Die volkswijsheid was eigenlijk nooit zo tot haar doorgedrongen. En de bijbelse waarheid dat je van je zelf mag houden om daarna van een ander te houden, nog minder. Zij voelde zich van iedereen de mindere en had zich afgebeuld om een graantje genegenheid mee te pikken. Geleidelijk aan werd het haar duidelijk dat eigenwaarde niet afhangt van de waarde die anderen je toekennen, maar dat het dient te ontspringen aan de bron van het eigen innerlijk. Waarde die anderen je toekennen, is mooi meegenomen, maar als jouw innerlijke waarde daar van afhangt, dan ben je al gauw ook veel te gevoelig voor de waarde die anderen je onthouden. 

Gewetensvorming

Sommige mensen stellen hele hoge eisen aan zich zelf. Zo streng dat ze eronder gebukt gaan . Ook anderen leggen ze maar al te vaak onmogelijke eisen op. Vaak willen ze dat niet echt en toch gebeurt het.

 

Het geweten, schrijft de bekende psychiater prof.dr. P.C.Kuiper in zijn boek 'Neurosenleer' is een kopie van de ouders. Hij bedoelt daarmee dat wij in onze vroege levensjaren kopiëren wat onze ouders ons aan geboden en verboden hebben voorgeleefd en meegegeven. Wij verinnerlijken als het ware onze ouders en wat zij van ons willen. Goed beschouwd is het geweten een soort instantie waardoor wij ons schuldig voelen en zijn schuldgevoelens de benzine waar de motor van het geweten op loopt. Wie geen schuldgevoelens kent, is een gewetenloos iemand. Wie ze te veel heeft, gaat gebukt onder een zware tot loodzware last. Zo iemand zit voortdurend in de beklaagdenbank van de innerlijke rechtszaal die zijn geweten voor hem vormt. De rechters zijn de ouders die met opgeheven vinger zeggen wat wel en niet door de beugel kan. Een en ander voltrekt zich uiteraard onbewust, zoals de gewetensvorming zelf een onbewust proces geweest is voor iemand die de kinderjaren ontgroeid is. Lichamelijk groeien we op uit het kind dat wij geweest zijn. Hetzelfde geldt voor onze emotionele ontwikkeling. Wij zijn maar niet zo maar met een bepaald gevoelsleven uit de lucht komen vallen zoals sommigen hardnekkig willen doen geloven. Waarschijnlijk omdat ze menen dat het makkelijker is. Al dat gewroet doet een mens geen goed, hoor je dan. Wat heb ik eraan om te weten waarom ik me steeds schuldig voel zodat ik me gedurig loop te verontschuldigen, ook als het niet nodig is; waarom ik me overal voor meen te moeten verantwoorden of een enorm plichtsbesef  heb. Alleen het hier en nu telt. En daarmee lijkt voor hen de kous af.

 

Probleem is dat je naar de wortels moet om het onkruid uit te roeien. En dat kost inzet en inspanning. Gewetensvorming ontstaat echter niet alleen door geboden en verboden. Als er sprake is geweest van afstandelijkheid en kilheid van beide of één van beide ouders, of van veel afwezigheid b.v. bij kinderen van wie de ouders een winkel runden waar beide ouders voor in de weer waren, dan blijkt dat kinderen uit zo'n gezin heel vaak gebukt gaan onder een onaangenaam strenge gewetensfunctie. Uiteraard hangt de mate waarin oudergezinsomstandigheden op een kind uitwerken ook sterk af van de aanleg van het kind. Hoe groter de aangeboren gevoeligheid hoe sterker de invloeden van een milieu inwerken. Weke was prent diep, schrijft de psychiater dr. Fr. Hiddema. Blijft de vraag hoe het mogelijk is dat zulke zaken als kilheid en afstandelijkheid bij velen een streng geweten tot gevolg hebben. Het antwoord zit hem hierin dat een kind al heel vroeg begint met de afwijzing die het voelt uit een soort lijfsbehoud om te zetten in bevestiging, in warmte. Hoe groter nu de kilheid is die het in het gedrag van de ouders ervaart, hoe meer het zijn best doet om die kilheid te neutraliseren, sterker: hoe meer het kilheid wil omzetten in warmte of koestering. Want, zoals ons lichaam zich ontwikkelt door voedsel tot ons te nemen in de vorm van moedermelk zo ontwikkelt ons gevoelsleven zich pas gezond als er een fikse dosis koestering en geborgenheid voorradig is waar we als kind uit kunnen putten. 

 

Het gevecht om kilheid die dus als afwijzing ondergaan wordt om te zetten in warmte kan een weerloos, wondbaar en kwetsbaar wezentje niet winnen van ouders die hem in zijn beleving als reuzen omringen. Het kind verandert de ouders niet, die uiteraard niet moedwillig, maar met het kind opgenomen in een web van vaste patronen, gewoon doorgaan waarmee ze bezig zijn. En zo stelt een kind in een onbewust proces steeds hoger eisen aan zich zelf om te slagen in zijn missie de warmte te krijgen die het op grond van zijn kwetsbare staat nodig heeft. En wat doen volwassenen die uit zulke kinderen zijn opgegroeid? Ze herhalen maar al te vaak dezelfde patronen alsof er in hun omstandigheden niets veranderd zou zijn. Onbewust en ongelukkig. Alsof er in hun innerlijke omstandigheden niets te veranderen zou zijn.