Willem Abma

gesprekstherapeut

Omgaan met kritiek

Iedereen krijgt in zijn leven wel eens kritiek te verduren. De meesten van ons leren er op den duur redelijk mee om te gaan. Maar echt wennen doet het zelden tot nooit. Zeer belangrijk is voor ogen te houden wie de criticus is.

 

'Kritiek, wat is dat nou precies,' vroeg mij een nog tamelijk jonge cliënte. 'Mijn vader zegt altijd dat ik slecht tegen kritiek kan, terwijl ik mij alleen maar verdedig tegen zijn opmerkingen als ik die onterecht vind.' Ze staarde me een poosje vertwijfeld aan, maar begon toen te glimlachen. 'Och ja, u weet het natuurlijk ook niet.' 

 

'Daar zit wat in,' zei ik. Kritiek is immers een lastig fenomeen waar je nogal wat kanten mee uit kunt. Het woord kritiek is afgeleid van het Franse critique en dat is op zijn beurt weer overgenomen van het Griekse werkwoord krinein, hetgeen onderscheiden betekent. Dus, met een scherp oog naar de dingen kijken: onderscheiden. Is die laatste bezigheid redelijk positief te noemen, in de loop der eeuwen zijn er naast critici die scherp waarnamen om opbouwende c.q. constructieve kritiek te kunnen leveren, anderen opgestaan: de criticasters die er een behagen in lijken te scheppen om te pas en te onpas afbrekende c.q. destructieve kritiek te ventileren.  Naast een verschil van inhoud bestaan er verschillende vormen van kritiek BV. de kunstkritiek. Daarvan zijn de literaire kritiek en BV. de kritiek op muziek- en toneeluitvoeringen wel zo'n beetje de genres waar we via de kranten het meest mee in aanraking komen. Het meest voorkomende genre is echter de persoonlijke   kritiek die wij in het leven van alledag over ons heen krijgen.

 

Persoon van de criticus

Wordt een kritiek in de kunstwereld vaak geleverd door een beroepskracht, in het leven van alledag ligt dat natuurlijk anders. Iedereen kan in principe iedereen tot doelwit van zijn kritiek kiezen. Zo zijn het de ouders die als opvoeders het kind moeten sturen en bijsturen. Kritische opmerkingen blijven het kind dan ook niet bespaard. Wanneer het goed is, is de kritiek van de ouders naar het kind toe opbouwend. De ouders corrigeren en geven aanwijzingen en wel op een zodanige wijze dat het kind zich niet bedreigd voelt, maar juist veiliger omdat het zich met de aanwijzingen van de ouders beter toegerust voelt. Helaas gaat het maar al te vaak anders. Dan is er sprake van geïrriteerd gedrag, van kleineren en afbreuk doen aan de schuchtere pogingen van het kind zijn weg naar zelfstandigheid te vinden. Zo'n kind voelt zich in zulke omstandigheden onzeker en onveilig. 

 

Aanwijzing of afwijzing

Heeft een kind kritiek van zijn ouders als aanwijzing ondergaan dan zal hij als volwassene geneigd zijn kritische opmerkingen van zijn medemensen positief te waarderen. Is de kritiek van de kant van de ouders evenwel als afwijzing ondergaan, dan zal zich dat later wreken omdat het kind, inmiddels naar leeftijd volwassen geworden, op dezelfde wijze met kritiek omgaat. Dan lukt het maar niet kritiek positief te waarderen. En te relativeren. Wat namelijk vaak gebeurt is dat de criticus veel te snel gelijk krijgt of dat er veel te veel gewicht aan de kritiek gehecht wordt. Op die manier is de criticus een soort spreekbuis van de ouders geworden. Ouders hebben voor het kleine kind immers de touwtjes in handen, zij zijn groot en sterk, zij hebben de absolute macht. Bij alle verzet en boosheid past geen relativering.

 

Wie geeft de kritiek? 

Bij het relativeren van kritiek past ook dat wij heel goed kijken wie de criticus is. Wat zijn zijn motieven? Hoe is zijn karakter? Hoe is zijn toon? Kortom, wat kunnen wij bij hém laten. Als we ons daarin nuchter verdiepen, valt zeker 50% van alle kritiek die we ons wellicht aantrekken weg. Dit laatste zei ik tegen een predikant die mij consulteerde o.m. om het feit dat hij zich te veel de kritiek aantrok van bepaalde gemeenteleden op zijn preken. 'Het maakt mij onzeker, om niet te zeggen vleugellam,' zei hij. 'Soms durf ik nauwelijks nog aan het maken van een nieuwe preek te beginnen, bang dat het toch wel weer niks zal zijn. De lust van het preken vergaat me op deze manier.' Ik vroeg hem de kritische opmerkingen eens op een rijtje te zetten, maar meer nog de critici te rubriceren. Het volgende gesprek bleek dat het eigenlijk maar om  drie personen ging van wie één een theologiestudie was begonnen maar niet had afgemaakt, nummer twee als een kankeraar in de hele gemeente bekend stond en nummer drie weliswaar een scherpzinnig criticus was maar ook een scherpslijper die meestal een nare toon aansloeg. C'est le ton qui fait la musique, zegt  een Frans spreekwoord. Probeert b.v. een criticus ons op vuige toon een loer te draaien dan doen we er verstandig aan de kritiek niet als ons, maar als zijn probleem terzijde te leggen. Deze wetenschap gevoegd bij het inzicht dat het niet zijn strenge ouders waren die hem terechtwezen, bracht geleidelijkaan een meer relativerende manier van omgaan met kritische opmerkingen teweeg.

 

Wij kunnen dus zelf veel ten goede veranderen in de wijze waarop wij met kritiek omgaan. Hoeveel, blijft evenwel afhankelijk van de aanleg die bepalend is voor onze aangeboren kwetsbaarheid. 

Soms een slagveld

Waar rust en veiligheid zouden moeten heersen, is het soms een slagveld. De gevolgen kunnen voor de betrokkenen op het oog tegenstrijdig lijken al zijn de innerlijke overeenkomsten tussen hen groot.

 

Het was een onwaarschijnlijke visite. Apart wilden ze niet komen, de beide broers, en daarom zaten ze broederlijk naast elkaar tegenover mij. De één onzeker en timide, de ander uiterlijk onverschillig: een ruwe bolster met een blanke pit. Eigenlijk was ik stomverbaasd dat deze beide mannen van begin twintig er een reis van een dik uur voor over hadden gehad om eens met iemand te praten, want zo op het eerste gezicht verwacht je die behoefte niet bepaald bij hun type. Maar als schijn bedriegt dan doet het dat zeker in het beroep dat ik uitoefen.

 

Toen de oudste zijn mond opendeed was zijn woordgebruik  niet bepaald subtiel te noemen. Kortom: bij mij in de kamer zat in ieder geval één ruig manspersoon die met mond en knuisten van wanten wist. Er werd stevig gevloekt en gescholden. Laat ik hen de gefingeerde namen Jan en Henk geven. Jan, de oudste van de twee is het best van de tongriem gesneden. Hij doet het woord. 'U moet weten dat ik nu al voor de derde keer veroordeeld ben voor verboden wapenbezit. Niet dat ik ooit op iemand geschoten heb. Nog niet. Het gekke is dat ik mij absoluut niet lekker voel als ik geen schiettuig bij mij heb. Tot nog toe kan ik het met mijn grote bek en vuisten wel redden, maar ik voel het moment dichterbij komen dat ik zo'n ding een keer echt ga gebruiken.'

 

Tot mijn  schrik tovert hij plotsklaps een revolver tevoorschijn. 'Een tamelijk verontrustende gedachte, neem ik aan,' antwoord ik. Hij knikt. 'Eigenlijk ben ik altijd met iedereen in de slag. Ik voel me aangevallen zonder dat dat nodig is. Dan wordt het al gauw bekvechten of gewoon vechten. Nog een geluk dat ik me niet te barsten zuip anders was het al lang uit de klauwen gelopen met dit ding,' en hij streelt liefkozend de loop van de revolver die langzaam verdwijnt in een lubberende jaszak.

 

'Hij is juist omgekeerd,' zegt hij met een zijdelings knikje richting zijn broer. 'Hoe zit het dan met jou, Henk,' vraag ik, 'jij draagt niet zo'n ding bij je?' Henk verwoordt het treffend waaruit meteen blijkt dat hij door over hun situatie na te denken reeds het nodige voorwerk heeft verricht. 'Jan wil altijd schieten, ik ben eeuwig bang dat er op mij geschoten zal worden.'  Uit een aantal gesprekken dat met ieder afzonderlijk van hen volgt, blijkt dat deze twee broers zijn opgegroeid in een groot gezin waarin de ouders weinig tot geen aandacht voor de kinderen hadden. Moeder was een stille drinkster, vader was door de week altijd weg. In de weekends was het een en al wapengekletter tussen de ouders onderling en de broers en zusters. Vader heerste als een ware tiran. Alleen Jan weerstond hem  en ging meermalen met hem op de vuist. Voor moeder voelde hij absoluut geen respect. Henk daarentegen vormde bij uitstek een mikpunt van de vernederende pesterijen van zijn vader en werd ook nog eens seksueel misbruikt door een oom.

 

Ik informeerde naar de andere broers en zusters. Zonder uitzondering bleek hun leven een puinhoop te zijn. Behalve Jan en Henk onderhielden de familieleden geen contact meer met elkaar. De band tussen Jan en Henk bleek zeer hecht hoeveel ze van aard ook verschilden. Daarom ook was Jan op aandringen van Henk toch maar met hem meegegaan. Een klein wonder. Henk voelde intuïtief dat hun zo op verschillende wijze in het leven staan op hetzelfde terug te voeren was: de extreem slechte omstandigheden in het oudergezin.

 

De knokker en de geslagene zaten in wezen met hetzelfde probleem: zich losmaken van het verleden zonder dat onbewust voort te zetten in het heden. Twee totaal verschillende reacties op dezelfde omstandigheden. Jan die aanvankelijk één en al bravoure was tegenover de timide Henk, stelde op een gegeven moment zelf dat hij misschien wel banger was dan Henk die immers geen revolver bij zich behoefde te dragen om zich iets minder bedreigd te voelen.

 

Beide broers bevonden zich, overdrachtelijk gesproken, op een slagveld waarbij Jan voortdurend aan het schieten was en Henk zich voortdurend beschoten voelde. Dat ze zo verschillend reageerden op dezelfde milieuomstandigheden, heeft te maken met een verschil van aangeboren temperament, maar de opdracht kon voor beide dezelfde zijn: afstappen van het slagveld, de herhaling doorzien en doorbreken en een nieuwe start maken vanuit hun eigen aangeboren blauwdruk.